Loflied op analfabetisme

Bron: De Volkskrant
Loflied op het analfabetisme
Arjan Peters 06/11/10, 00:00
Fictie Hij kan niet lezen maar wel zien, Torgny Lindgrens blije verteller, die zijn lezers diep ontroert.

Letters, en combinaties daarvan, zijn een onvolprezen voertuig om de wereld te leren lezen, jezelf en anderen te begrijpen, en je met derden te verstaan. De ambassadeurs van het alfabetisme kunnen er niet genoeg op hameren. Geen onderwijs en verheffing zonder basiskennis van het alfabet.

En toch zal iedereen, tot en met de leesverslaafde aan toe, momenten kennen van jaloezie op de medemens die, zonder tussenkomst van gebruiksaanwijzingen en bellettrie, in direct contact staat met zijn omgeving. De schaapherder op de weide. De bebaarde heremiet op de bergtop. De man of vrouw die zijn eigen voedsel kweekt en nuttigt, en leeft met de seizoenen. Niet de dyslecticus die levenslang worstelt met de aanname dat hem van alles ontglipt, maar de alecticus of analfabeet die niet weet hoe je de woorden zon, sterren en wind schrijft, maar die hun werking ongefilterd aanvoelt.

Die niet weet wat een depressie of melancholie is, omdat hij daar nooit over heeft kunnen lezen. Die ook niet treurt om het verglijden van de tijd, ‘want jaren en maanden en dagen bestaan als ze geschreven worden’. Een gezegende.

Zo’n man spreekt zijn levensverhaal in, op een Sony-dictafoon, in De Bijbel van Dor, de roman van de Zweedse meester Torgny Lindgren (1938), die al een oeuvre lang bewijst dat alle grote verhalen in de streek sterbotten, in het doodstille noorden, te vinden zijn. Het verhevene en het doordeweekse, kurkdroge humor en pijn, het heilige en het gewone liggen daar nog ongescheiden naast en door elkaar. Er wordt misschien niet zo druk gelezen, daarginds.

De hele grote wijde wereld heeft de verteller leren kennen door een boek – dat hij niet kon lezen, want die vaardigheid is hem nooit geworden, maar het was de Bijbel verlucht met de tekeningen van Gustave Dor, de negentiende-eeuwse Franse graveur en illustrator wiens dramatiek veel critici niet, maar het publiek wel kon behagen. De jongeman had geen tekst of duiding nodig om die prenten te kunnen lezen. Ze brandden zich rechtstreeks bij hem naar binnen.

Lezen en schrijven brengt je ongeluk, zo kan de zoon van een houtvester – nu een heremiet op een bergtop, met een pijp en een baard – uit ervaring meedelen. ‘Als ik kon schrijven’, zegt hij in de leesversie van zijn luisterboek, ‘dan schreef ik een loflied op de alexie en het analfabetisme’. Zeggen is verkieslijker dan schrijven. Zijn grootvader, een kenner van de wereldliteratuur en docent taal en letteren, liep lang geleden op een ijskoude avond het bos in, en kwam haast versteend terug. Toen ze hem hadden ontdooid, bleken zijn hersenen gevriesdroogd: ‘Grootvader erkende de letters niet meer. Ze waren uit hem weg gevroren.’

Maar literatuur moet je ook niet lezen, had hij altijd gezegd, die moet binnen in je zitten. En dat kan zijn kleinzoon van harte onderschrijven. De letter doodt, maar de geest maakt levend (2 Kor. 3: 6b) – wie zal dat beter weten dan de gebenedijde die de Bijbel niet leerde lezen maar zien?

Twijfel en wanhoop kent hij niet, de verteller, al begrijpen wij, die zijn boek lezen en dus eigenlijk minder begenadigd zijn, wat voor moeilijkheden hij heeft gehad. Wij wel. Omdat ons de genade van het niet-lezen niet is toegevallen. Als hij als kind blijft zitten op school, omdat ze hem een stommeling vinden, schrijft hij dat hij ieder jaar groter werd, ‘maar mijn nieuwe kameraden werden met het jaar kleiner’. Als zijn ouders hem noodgedwongen naar een tehuis voor onnozelen sturen, dan geeft hij zijn vader daar een schouderklopje. Maak je geen zorgen, zegt de jongen. ‘Het moet verschrikkelijk voor hem geweest zijn.’

Die vader doet wel eens natuurwetenschappelijke proefjes. Natuurlijk met gebruiksaanwijzingen en formules bij de hand. Dat is spelen met vuur. Als de jongeman, al ouder geworden, op zekere dag door een bankier het tehuis uit wordt gehaald omdat hij eindelijk eens naar het ouderlijk huis wordt gebracht, is daar niets meer van over. Het hele huis weggevaagd. Alleen nog een krater. Geen mens of lichaamsdeel teruggevonden. En de zoon weet wel hoe dat komt: doordat vader las. ‘Men nam aan dat hij een experiment had uitgevoerd. Dat de natuurkunde de proef om zo te zeggen had doorstaan, maar dat de natuur hem in de steek had gelaten.’

Mijn medeleven, zegt de bankier. ‘Dank u, zei ik, dat is erg vriendelijk van u.’

Zijn optimisme en lankmoedigheid getuigen van een bovenmenselijke veerkracht. Of spreken die vanzelf, als er nooit letters tussen jou en de wereld staan, die behalve kennis ook muren van twijfel en afgronden van gemis en tekort te voorschijn kunnen roepen? Bestaan die niet langer, wanneer je de kunst beheerst van het afzweren van letters?

Met dat knagende vermoeden zadelt Lindgren de lezer op; die doet dit inzicht op door De Bijbel van Doré te lezen, en loopt daardoor grandioos in de val. Intussen geeft de verteller, die geen lezer is, ons het nakijken. Bij hem in de buurt woont de stukjesschrijver Manfred Marklund, die altijd gejaagd is, en die tussen het draven en tikken door kan mijmeren dat hij het gelukkigst is ‘als de stukjes alleen nog maar in je hoofd rondbuitelen’, nog niet gedresseerd tot een journalistieke tekst, met letters als opgezette dieren.

Marklund wordt ziek en moet het bed houden, en in zijn nadagen komt de verteller hem vermaken met mooie verzinsels over zijn eigen leven. Het doet er niet toe of ze waar gebeurd zijn of niet. Veel van die verhalen lijken sprekend op bijbelse taferelen; zo hervertelt hij de parabel van de Verloren Zoon, niet omdat hij zelf ooit bij zijn vader – die hem goedbeschouwd ooit verstootte uit huis – is weergekeerd, maar omdat die vader, als hij niet de lucht in was gevlogen, hem vast en zeker aan zijn hart zou hebben gedrukt. Als hij had geweten dat die zoon goed terecht was gekomen.

Zeker weten, bezweert de verteller. Dat valt nog te bezien, aarzelt de lezer, die geen enkel bewijs van vaders trots op zijn ‘misselijkmakende debiel’ van een zoon heeft opgemerkt. Maar moeten wij de verteller zijn optimisme afnemen? Zou hij gelukkiger worden als wij hem op zijn oude dag alsnog zouden leren lezen?

Tekst is op zijn best een benadering, nooit de kern van de zaak. Maar het is een prachtig boek, komisch en wijs, dat die ons die harde boodschap overbrengt. Niets anders kan die kern zo dicht naderen.

Arjan Peters